Door Ton van Haperen, voorzitter Stichting Meer leren op school
Het Nederlands funderend onderwijs presteert aantoonbaar onder. Minder leren op school betekent dat het leren thuis aan belang wint. Deze groeiende kansenongelijkheid is een politieke kwestie. Toch speelt dit onderwerp bij de komende verkiezingen geen rol.
De Grondwet is zonneklaar. Artikel 23 stelt: ‘Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.’ De verkiezingen van 29 oktober gaan dus ook over onderwijs. Mochten partijen hier een speerpunt van maken, dan ontstaat zicht op verandering. Het ontbreken van urgentie staat voor stilzwijgende instemming van de kiezer met de status quo.
Dat verzoek tot stilzwijgende instemming lijkt het geval te zijn. De verkiezingen van 29 oktober gaan over van alles, maar niet over het falen van het funderend onderwijs. Wel veel goede bedoelingen in de partijprogramma’s zoals schoollunches, invoeren van het vak zelfredzaamheid, brede brugklas en gratis kinderopvang. Hoe dat dan moet, in de bestaande context, geen partij heeft het erover. De onderwijsparagrafen zijn lijsten met goede bedoelingen zonder pijnlijke schaarstebeslissingen die het gestelde doel binnen handbereik moeten brengen. Van uiterst links tot rechts ogen de onderwijsparagrafen populistisch.
Een paar voorbeelden. GroenLinks/PvdA wil gratis kinderopvang. Hoe dan? De kinderopvang is een optelsom van particuliere bedrijven die winst maken en niet zo weinig ook. Gaat de overheid die bedrijven uitkopen en neemt ze de productie over? Of kiest ze voor het alternatief, het commercieel tarief vanuit de belastinginkomsten betalen? Dit gaat over miljarden die er niet zijn. De VVD kiest voor prestatiebeloning. Op zich, de leraar die hard werkt omringd door luie collega’s heeft inderdaad een frustrerend gevoel. Maar deze discussie voerden we 20 jaar terug eveneens. Ook toen wisten we dat het onderscheid tussen een goede en excellente leraar niet objectief en onomstreden vast te stellen is. Kortom, bij prestatiebeloning blijft de frustratie op de werkvloer, want de ene goede leraar krijgt wel een loonsverhoging en de ander niet. De slechte leraar is echter wel goed herkenbaar, een versoepeling van het ontslagrecht, dat zou kunnen werken. Maar onaardige onderwijsmaatregelen daar houden politici niet van. Het moet wel leuk blijven. En zo gaat het maar door. De PVV wil een politiek neutrale leraar. Natuurlijk, ideologisch preken in de klas, liever niet. Anderzijds, algemeen vormend onderwijs voedt op tot burger en is per definitie waardegeladen. De partij die verantwoording aflegt voor de kwaliteit van dat burgerschapsonderwijs is het schoolbestuur. Artikel 23 van de Grondwet zet politiek en overheid op afstand. Wil de PVV de Grondwet wijzigen? De SP gaat de lumpsum afschaffen. Strak plan, maar hoe zit het dan met de eigendomsrechten? Van wie is dan het onderwijs? Niet meer van de besturen? Van de minister dan maar? Hoe gaan we dat regelen? En, niet onbelangrijk, een effectief bekostigingsstelsel, hoe ziet dat er eigenlijk uit? Dat wordt vast duidelijk als de SP gaat regeren.
De partijprogramma’s voor 29 oktober gaan geen enkel onderwijsprobleem oplossen. Dat is verwijtbaar, want de internationaal gezien uitzonderlijk beleidsvrije sector presteert al drie decennia onder. Vanaf die constatering roept de grondwettelijke plicht de politiek op tot ingrijpen. De overheid staat namelijk vanuit die aanhoudende zorg garant voor toegang tot goed onderwijs voor iedereen, een eerlijk speelveld en internationaal gezien hoge leerprestaties. Maar de politieke partijen zien Kamerbreed geen urgentie. Ze vergissen zich jammerlijk.
Nationale onderwijsproblemen
Het funderend onderwijs kent vele problemen. De beroepsgroep leraar is goed betaald, maar oogt verloederd en gekweld. In de krant heet dat een kwalitatief en kwantitatief lerarentekort. Terwijl, met 200.000 fte’s tegenover 2 miljoen kinderen denk je toch, welk lerarentekort? Er zijn genoeg leraren, ze geven alleen niet allemaal les. De laatste tien jaar dalen de leerlingenaantallen, groeit het personeelsbestand, net als het budget en toch vallen de lessen uit. De leerling-leraarratio in de klas is al decennialang constant. Leraren geven in het voortgezet onderwijs maximaal 26 lessen aan groepen tot 32 leerlingen. Zo was het in 1960 ook.
Meer personeel, minder leerlingen en meer geld betekent dat het op kantoor en in de vergaderzaaltjes drukker wordt. Rond deze ineffectieve aanwending van middelen circuleren onder kinderen gevoelens van falen, verdriet en uitsluiting. Voeg daaraan toe: de mobiele telefoon en ouders die druk met zichzelf zijn en weinig tijd hebben voor hun kinderen. Alles bij elkaar resulteert dit in een groei van de uitvalcijfers. Leraren voor de klas ervaren deze spanning in hun overvolle lokaal. Met name de onervaren leraar is kwetsbaar. Dit ongemak gaat in de overdrive door vanuit besturen gepropageerde opvattingen over zogenaamde kindvriendelijke pedagogiek met veel eigen verantwoordelijkheid en de daaruit voortkomende innovatieve inrichting van onderwijs. Onder druk wordt alles vloeibaar. In een beleidsvrije omgeving gaat het alle kanten op: de verschillen tussen scholen zijn nergens zo groot als in Nederland. Stuur een kind naar de brugklas van een middelbare school. Weinig lestijd en veel zelf doen, vakken die door leraren aan klassen van 80 leerlingen worden gegeven in grote ruimtes of gewoon klassikaal onderwijs in groepen van 30 van traditionele vakleraren, het bestaat allemaal. Deze enorme verschillen in organisatie en opvattingen domineren eveneens de lerarenopleidingen, die doen ook allemaal wat anders. Het verzorgde onderwijs oogt gedesintegreerd, vermoeid en ambitieloos.
Een onbestuurbare sector
Aan deze incidentenbeschrijving liggen twee overkoepelende en met elkaar verbonden nationale onderwijsproblemen ten grondslag: de structureel dalende leerprestaties en de onbestuurbaarheid van de sector. Dat de leerprestaties dalen is evident en vaak aangetoond door zowel landenvergelijkende studies van bijvoorbeeld de OESO als veldonderzoek van de Onderwijsinspectie. Lezen, rekenen, geschiedenis, kinderen van nu doen dat slechter dan 20 jaar terug. De meest aansprekende statistiek is die van de slechtlezende 15-jarigen. Dit percentage is gestegen van 10 naar 33. En ja, onderwijsstatistieken meten prestaties van een geselecteerde groep kinderen op een bepaald moment, in een bepaalde context, en zijn per definitie schijnexact. De beweging van Nederlandse leerprestaties is echter ontegenzeggelijk dalend. Deze daling treft vooral kinderen die van huis uit minder meekrijgen. Ziehier de echte kansenongelijkheid.
Daarnaast valt op dat minister en Kamer veel ach en wee roepen, maar niet in staat zijn deze dalende beweging te keren. De bestuurskracht is laag en zelfs contraproductief. Voor elk overheidsbeleid geldt: de resultaten zijn steevast tegengesteld aan de doelstellingen. Al in 2007 constateerde Alexander Rinnooy Kan een kwalitatief lerarentekort. Leraren, toch in eerste instantie kenniswerkers, bleken steeds lager opgeleid en vakinhoudelijk onvoldoende uitgerust om nieuwe kennis bij kinderen blijvend aan te brengen. En dus maakte de toenmalige minister Plasterk (PvdA) in 2008, vlak na de kredietcrisis, het geld was echt even op, structureel 1 miljard euro vrij om het opleidingsniveau van leraren te verhogen. Het daalde vrolijk verder. En zo zijn er talloze voorbeelden. De Wet passend onderwijs moest kinderen met een zorgvraag inpassen in het regulier onderwijs. Het speciaal onderwijs zou kleiner worden. Het werd groter.
De politieke onderwijskwestie
Zet het op een rij. De leerprestaties van kinderen dalen. De sector geniet veel vrijheid, maar gebruikt die niet om deze dalende leerlijn om te buigen. De politiek krijgt de op hol geslagen kudde evenmin tot bedaren. Kortom, we hebben een maatschappelijk probleem met verregaande consequenties.
Het funderend onderwijs voedt op tot burger en geeft door wat wij als samenleving van waarde vinden. Het falen daarin schaadt onze samenleving. Minder leren op school is namelijk oneerlijk, voedt frustratie rond oneigenlijke uitsluiting, wat uitmondt in eigenrichting in het verwerven van welvaart. Door minder leren op school krimpt bovendien onze gemeenschappelijke kennisbasis. Zonder dat referentiekader is het lastig praten met elkaar. Minder leren in het funderend onderwijs tast ook nog eens de kwaliteit van het vervolgonderwijs aan, vanwege de oude onderwijswet: de kwaliteit van de instroom bepaalt de kwaliteit van de uitstroom. Het niveau op beroepsopleidingen en universiteiten daalt dus eveneens. Uiteindelijk vreet dat onze verdiencapaciteit weg, waarna de groei van het nationaal inkomen van steeds minder naar nul beweegt. Slecht onderwijs maakt ons zowel individueel als collectief armer. In de breedste betekenis van het woord.
Sturen op verbetering: hoe dan?
De partijprogramma’s met hun lijstjes met goede bedoelingen maken het funderend onderwijs niet beter bestuurbaar op stijgende leerprestaties. Terwijl, hoe het moet, we weten het. Minder vrijheid in opvattingen en lespraktijk, vakinhoudelijk beter geschoolde leraren die zich ontwikkelen in het beroep en meer focus op hard werken en presteren in de klas, vanuit wat we weten van onderwijs. Dus dat pedagogisch-didactisch klimaat rond kinderen leren zelf wat ze leuk vinden, vanuit een grote eigen verantwoordelijkheid, daar gaan we even mee ophouden. School geeft door wat van waarde is, onder leiding van een daartoe opgeleide volwassene die verantwoording aflegt over het gedane werk. Dat werk bestaat uit uitleggen, voordoen, samendoen en zelf doen, inclusief transparant monitoren van dit proces en van daaruit bijstellen ten behoeve van betere leerprestaties, zowel op maat als collectief. In een rustig schoolgebouw met heldere en voor iedereen duidelijke gebruiken en afspraken.
In London staat de Michael Community School. Dit is een strikte school met hoge verwachtingen en zelfverzekerde leraren, bezocht door kinderen uit lagere milieus. De leerprestaties zijn fantastisch. In Deurne staat het Alfrinkcollege, zelfde verhaal, zelfde resultaten. Niemand hoeft die scholen een op een te kopiëren, maar deze initiatieven typeren als anachronistische strafkampen en vervolgens weglachen, het is in de sector even gebruikelijk als misplaatst. Minder zelfgenoegzaam falen, meer in de richting van Michaela en Alfrink denken, het is noodzakelijk om die leerprestaties weer te laten stijgen.
Slecht onderwijs schaadt kinderen die van huis uit minder meekrijgen. Hun ouders kunnen niet bijsturen, weten niet hoe ze met leraren kunnen praten op een manier die het belang van hun kind dient. Bijles betalen zit er evenmin in. De uitweg is beter onderwijs op school. De verkiezingsprogramma’s laten zien dat de politiek daar de komende vier jaar niet op gaat sturen. Van de sector zelf valt eveneens weinig te verwachten. En dus zal er maatschappelijke druk moeten komen van ouders, leraren en schoolleiders.
De Stichting ‘Meer leren op school’ zal er alles aan doen om die druk op te voeren. Iemand moet het doen.
