Doe eens iets, iets dat wel werkt 

Door: Ton van Haperen

Het kabinet komt met een radicale ingreep in het onderwijs: eerst taal dan pas rekenen. Aldus het Algemeen Dagblad, in een kop, geplaatst boven een artikel dat het nieuwe beleid van staatssecretaris Tielen (VVD) uitlegt[1]. Tielen kiest op basis van evaluatie voor next level basisvaardighedenbeleid. Basisvaardigheden zijn rekenen, taal, digitale geletterdheid en burgerschap. Vanaf 2022 sturen minister en inspectie op de leerprestaties in die basisvaardigheden. Zonder succes, er zijn onvoldoende resultaten, vandaar de focus op taal. Van smal naar smaller, in de hoop dat kinderen zo meer gaan leren op school. Dat gaat niet gebeuren. Wat gaat hier mis?

Wat we doen op school

Het funderend onderwijs voedt kinderen op tot burger en geeft door wat wij als samenleving van waarde vinden. De ontwikkeling daarin begint op de basisschool. Generalisten onderwijzen alle vakken. Op de middelbare school krijgen kinderen vakonderwijs binnen verschillende schooltypen. Na drie jaar versmalt het curriculum op basis van belangstelling en bekwaamheid.

De kern van het curriculum is gebaseerd op de sporen waarlangs we communiceren; taal, getallen en ons gezamenlijk verleden. In het voortgezet onderwijs (VO) zijn dat de vakken Nederlands, Engels, rekenen en wiskunde, geschiedenis. Zijn de andere vakken niet belangrijk? Natuurlijk wel, maar daar kan een kind alleen in leren bij voldoende beheersing van de kern, aangebracht op de basisschool, doorontwikkeld in het VO. Neem een vak als economie.  Leerlingen kijken vanuit vakconcepten naar de werkelijkheid, daarbij gebruik makend van verhaal, grafiek en berekening. Zonder voldoende kerncurriculumvaardigheid is het vak economie niet onderwijsbaar. Economie onderhoudt, versterkt en verdiept tegelijkertijd die kerncurriculumvaardigheid. Schoolvakken staan niet op zich. Ze zijn met elkaar verbonden. In een wederkerige relatie.

Vanuit dit perspectief is de keuze voor basisvaardigheden bijzonder. Vooral omdat dit feitelijk eenzijdige aandacht voor taal en rekenen betekent. Digitale geletterdheid en burgerschap zijn studeerkamerconstructen, moeilijk onderwijsbaar. Niemand weet wat deze interessegebieden precies betekenen, ze zitten in alle vakken. Je zou daarnaast denken: taal en rekenen, we onderwijzen het al even, in de gehele wereld, dat zou toch moeten lukken. Toch blijkt intelligent en gestructureerd om je heen kijken binnen vakken lastiger. Over de curriculaire wederzijdse afhankelijkheid hebben de ambtelijke profeten van de basisvaardigheden het nooit.

Dat komt omdat landenvergelijkende onderzoeken vooral taal, rekenen, burgerschap en wiskunde meten. De veldonderzoeken van de onderwijsinspectie laten bovendien zien dat het leren op de basisscholen niet goed gaat. Maar in het voorgezet onderwijs zit de echte crisis, daar worden basisvaardigheden afgeleerd. Falen dat eerder is geconstateerd. Uit onderzoek van Van der Gein (2012)[2] blijkt dat kinderen de werkwoorden op de basisschool beter vervoegen dan op de middelbare school. Van der Gein pleit vanuit die constatering voor een juist minder persoonsgebonden en intuïtieve didactiek in het VO.

Zonder probleemanalyse geen verbetering

De concrete invulling van het basisvaardighedenbeleid is vanaf 2022 ongericht miljoenen uitgeven. De regering geeft geld, maar schrijft niet voor hoe het moet. Dat mogen scholen zelf weten.

Dat geld uitgeven gaat prima. Middelbare scholen nemen een basisvaardighedencoördinator aan, die weer aangestuurd wordt door de schoolleiding, wat resulteert in een studiemiddag met een betaalde keynote en een leesproject. Leraren zuchten, er moet weer iets. Een dag later geven ze vakonderwijs zoals ze dat altijd doen. De inspectie komt langs en kan het vakoverstijgend onderdeel burgerschap niet vinden, wat weer resulteert in de aanstelling van burgerschapscoördinatoren. Die inventariseren de burgerschapsvaardigheden binnen de verschillende vakken, schrijven dat op, inspectie tevreden. Geen kind leert hierdoor meer op school.

Dit patroon vernielt het onderwijs vanaf eind jaren negentig.  Er is een probleem. Schoolbesturen vragen geld voor de oplossing. Budget gaat naar praten over het probleem en sturing, niet naar het doen in de klas. Terwijl, de oorzaak achter de dalende lijn toch echt in het doen zit. Hoe dat komt? We weten het al even.

In 2007 constateert een staatscommissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan teruglopende eruditie bij leraren: het kwalitatief lerarentekort. In 2008 verklaart een parlementaire enquêtecommissie onder leiding van Jeroen Dijsselbloem dat grote vernieuwingen als het studiehuis zijn mislukt.[3] Kinderen leren niet zelfstandig op school. Ze leren van een leraar. Het studiehuis is twee jaar na invoering afgeschaft. Deze mislukte vernieuwing wordt echter momenteel door schoolbesturen opnieuw doorgedrukt met zogenaamde flexroosters. Flexroosters staan voor minder vaklessen en meer zelfstudie. Zo geven besturen minder geld uit aan lessen en is er meer tijd om op kantoor over onderwijs te praten. Voor de klas staan de verliezers, zij geven veel lessen aan heel veel leerlingen, in grote klassen, tegen een laag leerrendement.

Als de sector de problemen niet oplost, moet de overheid dat doen

De voorbeelden laten zien dat de sector met meer geld het minder leren op school niet bestrijdt maar verergert. Wil de staatssecretaris daar iets aan doen, dan past die focus op taal in de categorie standup comedy. Het onderwijs gaat zijn namelijk problemen niet zelf oplossen, de staatssecretaris moet ze daartoe dwingen. En in het voortgezet onderwijs mag het grote mes erop.  Want ja, het aanleren kan beter op de basisschool, maar het afleren op de middelbare school is een stuitende vorm van kennisbederf die doorettert in het vervolgonderwijs.

Een paar logische maatregelen voor het VO. Reguleer de contacttijd van leerlingen met een vakleraar in de vorm van een tabel met een verplicht aantal lessen van vijftig minuten per vak. Dit beperkt de ruimte voor flexroosters. Gedwongen professionalisering in het verzorgen van vaklessen met methodes die bewezen werken en internationaal gebruikelijk zijn, is een logische vervolgstap. Effectieve lessen zorgen ervoor dat kinderen meer leren in alle vakken. Het onderhoud en verdiepen van basisvaardigheden volgt vanzelf. Vaker leerprestaties monitoren met centraal afgenomen gestandaardiseerde toetsen maakt bovendien zichtbaar hoe scholen presteren, wat aanspreken op maat mogelijk maakt.

Het wordt tijd dat de politiek het onderwijsfalen serieus neemt. Het schip is even terug tegen de ijsberg gevaren, de sector is al verzopen. Politieke bystanders en schoolbestuurders doen ondertussen alsof we lekker op reis zijn. Stop met wegkijken en doe eens wat! Maar dan ook echt.

Ton van Haperen


[1]

Zie: https://www.ad.nl/politiek/kabinet-komt-met-radicale-ingreep-in-onderwijs-eerst-taal-dan-pas-rekenen~aaab17fc/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F 

[2]

Zie Taal op klompen, Jan van der Gein, Levende Talen aflevering 13, pagina 22-30

[3]

Zie: https://www.parlement.com/parlementair-onderzoek-onderwijsvernieuwingen-2007-2008