Door: Ton van Haperen
Donderdag 11 juni is de examenuitslag van het algemeen vormend onderwijs. Spannend voor het individu, voorspelbaar voor het collectief. De examens worden namelijk elk jaar even goed gemaakt.
In Nederland is het aantal vijftienjarigen dat slecht leest in 20 jaar toegenomen van 10 naar 33%. Het slagingspercentage voor het eindexamen ligt in diezelfde periode stabiel op 90. Hoe kan dit? Door de N-term! Die zorgt ervoor dat de examens elk jaar gelijk scoren.
Waar de N-term vandaan komt
Tot 1996 werkt het beoordelen van examens zo. Het primaat ligt bij de examinator, de leraar. Hij kijkt het centraal examen van zijn leerlingen na. Een aangewezen gecommitteerde controleert of dat integer gedaan is. De kandidaat kan met zijn antwoorden 90 punten verdienen. De laatste 10 krijgt hij gratis. Alleen de naam boven het antwoordvel schrijven resulteert in de score 1.0. Als het examen landelijk slecht gemaakt is, volgt een bijstelling naar boven. Bijstellingen naar beneden bestaan niet. Een makkelijk examen is kandidatengeluk.
Op de betrouwbaarheid van deze procedure valt wat aan te merken. Een 5.4 heeft negatieve gevolgen, een 5,5 niet. Een beetje examinator vindt dat broodnodige extra tiende punt voor zijn leerling. De collegiale gecommitteerde knijpt al snel een oogje toe. Daar staat tegenover, die 5,4 kan de leerling een jaar kosten en als twee correctoren de gestolen score vakinhoudelijk enigszins kunnen verantwoorden, hoe erg is dat?
Kennelijk heel erg, want de ridders van de betrouwbaarheid krijgen de minister zover een eind te maken aan dit gesjoemel. Het College voor Toetsing en Examens (CvtE), de partij die het examen vaststelt, krijgt een grotere rol in de bepaling van de eindscore en gaat de beoordeling eerlijker maken. Het eindcijfer is niet langer afhankelijk van een moeilijk of makkelijk examen. Het uitgangspunt wordt, het ene cohort is niet beter of slechter dan het andere, alle cohorten scoren gelijk.
De N-term, die de gratis 10 punten van het oude stelsel vervangt, gaat dat regelen. Bij een N-term van 1 heeft de kandidaat bij de helft van de punten een 5,5. Maar afhankelijk van of het werk slechter of beter gemaakt is dan in andere jaren kan de N-term hoger of lager dan 1 zijn. Die mogelijke verlaging maakt een einde aan het kandidatengeluk.
Betrouwbaarheidsfixatie schaadt vertrouwen
De betrouwbaarheidsfixatie schakelt vanaf 1996 door naar next level. Een strengere examennorm, expliciteren van correctievoorschriften met deelscores, aanscherpen procedure tweede correctie, zo rijdt het centraal examen met 150 kilometer per uur een doodlopende weg in. Deze dodenrit beschadigt zowel de individuele leerling, als de samenleving.
Zo resulteert de betrouwbaarheidsfixatie in een groeiende discrepantie in toegekende scores door eerste en tweede correctoren. Deze collegiale frictie is het gevolg van interpretatieverschillen van antwoorden op open vragen met een correctievoorschrift dat niet gehele breedte van de vakinhoudelijk juiste antwoorden dekt. Vervolgens ziet de ouder dat het gezakte kind van de tweede corrector 10 punten minder krijgt dan van de eerste. En nu? Verschillende scholen hebben op basis van klachten van mondige ouders de scores na de uitslag naar boven aangepast, waardoor de kandidaat alsnog een diploma krijgt. Ook neemt het aantal rechtszaken toe. Afwijzen op een ‘net niet resultaat’ is in de bestaande context onaanvaardbaar. Elke keer spreekt de rechter zijn sympathie voor de gezakte kandidaat uit, gevolgd door de dwingende vraag om nog eens naar het examen te kijken. In september 2025 verklaart de rechter een eerder gezakte leerling uit Nieuwegein zelfs geslaagd.
Wantrouwen vanuit het algemeen belang jegens deze invulling van het instituut examen is eveneens gerechtvaardigd. Het uitgangspunt dat cohorten gelijk scoren deugt namelijk niet. De slechte lezers zitten grotendeels op het vmbo. Op het vmbo slaagt 95% voor het examen. Elk jaar. Met dank aan de N-term. Een ander voorbeeld. Volgens het McKinsey-onderzoek Toetsen getoetst zijn de examens wiskunde en natuurkunde op het vwo vakinhoudelijk aanzienlijk eenvoudiger dan 25 jaar geleden. Decanen van technische universiteiten bevestigen dit. Het gemiddeld cijfer voor wiskunde B vwo beweegt tussen de 6,2 en 6,7 tegen een gemiddelde N-term van 1,5. Bij een neutrale N-term van 1 liggen de gemiddelde scores tussen de 5,7 en 6,2. Bij een vakinhoudelijk makkelijk examen ligt een N-term onder 1 meer voor de hand. Ziehier de politieke manipulatie van het eindexamen.
Het centraal examen moet blijven
Met een betrouwbaarheidstoneelstuk toedekken dat kinderen minder leren op school, het CvtE kan het. Een absolute kennisstandaard waar kandidaten minimaal aan moeten voldoen is verstandiger. En ja, dat betekent meer gezakte kandidaten en dat is maar goed ook. Het CvtE zadelt namelijk het vervolgonderwijs op met de wet ‘de kwaliteit van de instroom bepaalt de kwaliteit van de uitstroom’. Het leerrendement in het vervolgonderwijs met een bekostigingsstelsel dat stuurt op de kortste weg naar het diploma, daalt logischerwijs eveneens. Dit heeft gevolgen voor onze kenniseconomie en verdiencapaciteit. Het CvtE remt deze neergang overigens wel af. In 2020 is er door corona geen centraal examen en op havo slaagt 98%. Op havo doubleert jaarlijks 20% in de voorexamenklas, waarna een jaar later met een centraal examen slechts 85% slaagt. Vanuit dit dysfunctioneel schooltype drempelloos naar het hbo; geen goed idee.
Het centraal examen organiseert vanuit de grondwettelijke aanhoudende zorg der regering het recht op doorstroming naar het vervolgonderwijs. In het buitenland bestaat het CvtE met zijn centrale examens niet. In de VS en Frankrijk resulteert dat in keiharde selectieprocedures aan de poorten van instellingen die in prestige verschillen. Ons stelsel geniet dan toch de voorkeur, maar dat vereist wel handhaving van het kennisniveau. Niet alle cohorten zijn gelijk. Basisvaardigheden, woordenschat, rekenen en wiskunde, kennis van cultuur en samenleving, kinderen leren aantoonbaar minder op school. Strenger vakinhoudelijk oordelen aan het einde van het traject is dan logisch. Meer professionele ruimte voor de leraar bij de beoordeling organiseert een daling van de kans dat kandidaten een jaar overdoen op basis van 0,1 punt te weinig. Streng en rechtvaardig, zo wandelen we opgewekt uit het grote enge examenbos en daar wordt iedereen beter van.

